p> align=center> home - cv - solo - ensembles - lespraktijk - artikelen - edition /\ agenda - programma's - demo's - foto's - links - contact

Zijn naam is Klein, Jacob Klein...

Samenvatting

De zes Sonates voor Violoncello Solo Opus 4 van Jacob Herman Klein vormen een unicum in de muziekhistorie. Het uitgebreide scala aan vingerwijzingen (zo'n 1200 vingerzettingen aangevuld met snaaraanduidingen om elk misverstand te vermijden) en dynamische aanwijzingen dat bij de cellopartij is genoteerd is ongeëvenaard in barokmuziek voor instrumenten uit de vioolfamilie. Niet eerder werd het barokke vingerzettingsysteem zo helder in de praktijk gebracht als hier.
Uit de vingerzettingen in het facsimile van deze Sonates blijkt dat geen enkele mij bekende barokcellist met authentieke vingerzettingen speelt. Uit het zelf spelen van deze Sonates met gebruik van de hier genoteerde vingerzettingen is mij gebleken dat er zulke gigantische strekkingen in voorkomen, dat een waarschuwing op zijn plaats is. Het onoordeelkundig, ongetraind gebruik van deze vingerzettingen kan ernstige blessures aan linkerhand en -arm tot gevolg hebben!
Vaak kunnen de vingerzettingen gelukkig zodanig worden aangepast dat grote grepen tussen andere vingers dan wijs- en middelvinger (de gebruikelijke "grote greep") voorkomen kunnen worden. Blijf dan ook vooral, maar nu geïnformeerd, on-authentiek spelen!

p> align="left">Jacob Herman Klein heeft muzikaal en cellotechnisch behoorlijk wat meer in zijn mars dan zijn eigen betiteling Amatore della Musica en zijn achternaam doen vermoeden. De virtuositeit van deze Sonates doen sterk aan Pietro Locatelli denken, een veel bekendere plaats- en tijdgenoot van Klein.

p> align="left">Verder is in dit werk een niet eerder aangetroffen bewijs te vinden dat in de barok onder een legatoboog soms een glijdende positiewisseling (glissando of portamento) werd geprefereerd boven het uitkiezen van een bepaalde handstand (positie) om een glissando of portamento te vermijden. De bij Klein veelgebruikte combinatie van een unisono tussen een losse snaar of een ingedrukte duim met een onderliggende, gestopte snaar is opvallend. Hierdoor wordt door Klein behalve een volume-effect zeer zeker een kleureffect beoogd, waardoor de overgang tussen de verschillende snaren via een losse snaar als het ware wordt afgerond of juist een grommend effect wordt bereikt.

p> align="left">Deze Sonates zijn door Frank Wakelkamp, barokcello en Rien Voskuilen, klavecimbel opgenomen. Onno Scholtze was balance engineer en Jean van Vugt producer/editor.

p> align="left">Hieronder vindt u een uitgebreid artikel over Jacob Herman Klein en zijn Sonates voor Violoncello Solo en Basso Continuo opus 4.

p> align="center">  

Inleiding

p> align="left">Toen mij werd gevraagd om in februari 1996 een concertprogramma samen te stellen met als thema De Amsterdamse muziekuitgever G.F. Witvogel, wist ik niet wat mij te wachten stond. Viola de Hoog, mijn vroegere barokcellodocente, reikte mij het boek van A. Dunning over de Witvogel-catalogus aan, waarin componisten en composities staan vermeld. Omdat het in dit boek vermelde cello-repertoire mij onbekend was, ben ik op onderzoek uitgegaan en heb een paar Sonates van Triemer en Lanzetti - die in facsimile zijn herdrukt - kunnen vinden. Ook stonden Sonates van een zekere Kleyn in de Witvogel-catalogus, die ik heb besteld bij een bibliotheek.
Twee weken voor het concert kwam mijn bestelling binnen in de vorm van een microfilm. De volgende dag maakte ik een afdruk van deze microfilm en vanaf dat moment tot op de dag van vandaag hebben deze Sonates en hun componist mij bezig gehouden. Want meteen was al duidelijk dat met deze Sonates iets heel bijzonders aan de hand was. Behalve de muzikale rijkdom en de virtuositeit van de stukken (twee weken studietijd bleek veel te weinig, dus op het concert heb ik ze niet kunnen spelen) viel meteen de overvloed aan vingerzettingen, snaaraanduidingen en dynamische tekens op. Deze bijzonderheden wekten bij mij een verlangen op dat ik alleen kan vergelijken met mijn verlangen, als lerend musicus, de cellosuites van Bach te kennen en te kunnen spelen. Het verlangen om de Sonates van Jacob Herman Klein te kennen en te kunnen spelen heeft geleid tot musicologisch en cellistisch onderzoek; het resultaat daarvan wil ik voor u neerleggen in de vorm van dit artikel met bijbehorende CD en facsimile van de Sonates. De laatste stand van zaken vindt u op het internet: http://JHKlein.Wakelkamp.com.

p> align="left"> De CD is op verschillende manieren toegankelijk: natuurlijk via de CD-speler in uw geluidsinstallatie, maar ook via de CD-speler in uw computer. U heeft dan de mogelijkheid om dit artikel te lezen als op een website. U vindt handige links naar facsimile-partituur, aantekeningen en de bijbehorende geluidsbestanden, zodat u de muziek van alle kanten kunt benaderen.

p> align="left">Bij het totstandkomen van deze multimedia-CD heb ik van vele kanten liefdevolle medewerking gekregen. De samenwerking met instituten als het Gemeentearchief Amsterdam, de Landesbibliothek - Staats- und Universitätsbibliothek Dresden (SLUB) - zij stelde haar manuscript Mus. 2751-R-1 ter beschikking -, de Bibliothèque Nationale te Parijs en de Oxford University Library of Music was bijzonder prettig en constructief.
Mijn persoonlijke dank gaat uit naar Rien Voskuilen voor zijn bijdrage als continuovirtuoos en als musicologisch criticus van dit artikel, naar Jean van Vugt voor zijn geduld en vakbekwaamheid als producer/editor en voor zijn waardevolle tips, naar Onno Scholtze voor zijn klankgenie, naar J.Marc Reichow en Vaughan Schlepp voor hun hulp bij de vertaling in het Duits en Engels. Mijn echtgenote, Rajyo Defize, wil ik danken voor haar begrip van de muziek en haar stimulans.
 

p> align="left">Frank Wakelkamp

p> align="left">Amsterdam, 14 oktober 2000.

p> align="left">
P.S.: In dit artikel heb ik de naam van Klein zoveel mogelijk gespeld zoals in de documenten die genoemd worden in de context. Dit bemoeilijkt misschien het lezen, maar geeft tegelijk een goed beeld van de spellingsvrijheid die toen gebruikelijk was en vergemakkelijkt voor geïnteresseerden het zoeken naar de juiste bron. Als definitieve spelling heb ik gekozen voor de enige rechtstreekse bron van de hand van Klein: zijn handtekening op de acte van ondertrouw (7 maart 1710).

p> align="center">

Jacob Herman Klein

Leven

p> align="left">Op 14 oktober 1688 werd Jacobus Hermannus Klein in Amsterdam geboren. Twee dagen daarna werd hij gedoopt in de Rooms-Katholieke kerk De Ster aan de Spinhuissteeg. Zijn vader was Jacobus Klein, zijn moeder Joanna van Shelent. Zijn beide ouders heb ik niet in de registers van het Gemeentearchief Amsterdam kunnen traceren: zij kwamen blijkbaar van buiten de stad.

p> align="left">Op tweeëntwintigjarige leeftijd trouwde hij als Jacob Klein de Jonge met Susanna Spiringh (Suzanna Spieringh). Ook zij werd in Amsterdam geboren, op 5 mei 1688, als dochter van Willem Spiringh en Isabella de Hondekoeter. Jacob woonde toen zij op 7 maart 1710 in ondertrouw gingen aan de prinse gragt (nu Prinsengracht), Suzanna aan de warmoestraat (nu Warmoesstraat).

Acte van ondertrouw, 7 maart 1710.

Ruim een jaar na hun trouwen, op 10 juni 1711, kregen zij een dochter, Geertruij. Zij stierf al vóór haar ouders, dertig jaar oud, op 7 maart 1742. Misschien hebben Jacob en Suzanna nog andere kinderen gekregen, die bij de geboorte zijn overleden, maar dat is niet met zekerheid vast te stellen. Als kinderen in de achttiende eeuw vroeg kwamen te overlijden administreerden de kerken in Amsterdam hen uitsluitend onder de naam van de vader (bijvoorbeeld kind van Jacob Kleyn), dus zonder de naam van de vrouw die het kind gebaard had. Het geval wil, dat er tijdens Kleyns huwelijk nog zeker zeven andere mannen met de naam Jacob Kleyn in Amsterdam leefden die ook kinderen hadden. Van al deze vaders samen overleden vijf kinderen van Jacob Kleyn bij de geboorte. p> align="left">Op 8 maart 1748 werd Jacob Herman Kleijn in de Oude Kerk begraven, zijn vrouw op 16 oktober 1750.

p> align="left">Over Kleins leven is niet meer bekend dan bovenstaande gegevens uit het Gemeentearchief Amsterdam - zelfs zijn beroep is niet bekend. De enige andere bron is datgene wat hij in druk heeft nagelaten.

p> align="center">  

Werk

Johann Gottfried Walther Musicalisches Lexicon Oder Musicalische Bibliothek, Leipzig 1732, pg. 342

Tijdens zijn leven publiceerde Jacob Kleyn le Jeune verschillende werken. Drie opusnummers werden uitgegeven door Jeanne Roger in Amsterdam. Het Opus 1 bestaat uit drie boeken. De eerste twee boeken zijn niet teruggevonden, maar bevatten volgens Walthers Musikalisches Lexicon (1732) 12 Sonates voor hobo en basso continuo. Van het derde boek met zes Sonates voor basse de violon en continuo (Roger No. 425, gedateerd tussen 1716-1721 ) bevindt zich een exemplaar in de Bibliothèque Nationale de Paris. De Sonates zijn genummerd XIII tot en met XVIII. Ze zijn dus doorgenummerd na de eerste twee boeken met hobosonates.

Titelblad van Opus 1/3 (ca. 1716-21) van J.H. Klein p> align="left">Deze Sonates vallen op doordat de basse de violon-partij getransponeerd is genoteerd: de stemming is b-e-A-D. Voor basse de violon is de normale stemming g-c-F-Bes,: maar liefst twee hele tonen lager. Het lijkt erop dat gezien het enorme verschil in de snaarspanning tussen de normale en de gevraagde stemming van de basse de violon eerder een violoncello zal zijn bedoeld, aangezien deze normaal slechts één toon lager is gestemd dan de gewenste stemming. In de Franse barok echter was de basse de violon een meer gebruikelijk instrument, waardoor verkoopredenen van Jeanne Roger (gericht op de Franse markt) ertoe geleid zouden kunnen hebben om de benaming van het instrument aan te passen.

p> align="center">

Pagina 51 uit het Opus 1/3 (ca. 1716-21) van J.H. Klein

p> align="left"> Cellotechnisch geeft deze uitgave een goed beeld van de stand van zaken op dat moment. Boven de toenmalige vijfde positie (bes' met de vierde vinger) komen de stukken niet. Regelmatig wordt gejongleerd met octaafsprongen en diverse vormen van gebroken accoorden. Qua muzikale ideeën munten deze Sonates Opus 1 boek 3 niet uit in originaliteit: motieven worden rustig vier keer in sequensvorm herhaald zonder dat er veranderingen in optreden. Al met al lijkt het eerder een degelijk en virtuoos etudeboek dan een boek met volwassen Sonates. Klein blijkt hier als cellist volwassen, maar als componist nog niet uitgekristalliseerd.

p> align="left">Kleins Opus 1 boek 1 t/m 3 worden in de catalogi van Leclerc (aan de Rue du Roule à la Croix d'Or en de Rue Saint-Honoré te Parijs) vanaf 1740 tot eind 1767 opgenomen. Het betreft hier een heruitgave door Charles-Nicolas Leclerc van de oorspronkelijke edities van Jeanne Roger in Amsterdam.

p> align="left">Opus 2 bevat zes Duetti (Suites) voor twee celli. Een incompleet exemplaar - de tweede cellopartij is niet volledig - bevindt zich in het Haags Gemeentemuseum, een compleet exemplaar is in Wiesentheid (Duitsland) te vinden. Hiervan is een moderne druk beschikbaar (ed. G. Darmstadt). Ook is een opname op CD verschenen bij Cavalli.

p> align="left">De inhoud van Opus 3 is mij nog onbekend, maar werd waarschijnlijk ook door Roger uitgegeven. Dit werk is tot op heden niet teruggevonden.

Etiket op de kaft van Opus 4 van J.H. Klein

Opus 4, zes Sonates voor Violoncello Solo en Basso Continuo, werd in 1746 uitgegeven bij Gerhard Fredrik Witvogel en opgedragen aan Joachim Rendorp. Het grote verschil in muzikale kwaliteit en de grote sprong in de cellotechniek in vergelijking met de voorgaande opusnummers, die hieronder beschreven wordt, kan alleen verklaard worden door de komst van Pietro Locatelli naar Amsterdam in 1729. De virtuositeit en muzikaliteit van deze violist was zo groot dat zijn invloed op Jacob Klein, die zeven jaar ouder was dan Locatelli, zich direct in Kleins eigen speel- en componeerstijl heeft geuit. p> align="center">

p> align="center">Titelblad van Opus 4 (1746) van J.H. Klein

p> align="left"> De partituur van de Cellosonates Opus 4 is over het algemeen erg secuur in koper gestoken. Bij uitzondering zijn kleine fouten aan te wijzen, bijvoorbeeld wanneer een motief Keil-boogje een keer wordt geschreven met Keil, maar zonder boog (zie hieronder).

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 35: Sonate 6 deel 3 (Allegro) maat 1.

p> align="left"> Vingerzettingen boven de verkeerde noot, of foute noten zijn onder andere te traceren door de noot, de vingerzetting en de onderliggende harmonie met elkaar te vergelijken. Van deze fouten zijn er maar weinig; ze worden aangegeven bij de aantekeningen. Opvallend is dat elke dynamische aanwijzing ("Forte." ; "Piano." ; "P.P.") heel consequent voluit wordt geschreven met een punt erachter. De druk is bijzonder goed verzorgd en heel goed leesbaar.

p> align="center">

Cellotechniek in Opus 4

p> align="center">

p> align="left">De cellotechniek in Opus 4 is aanzienlijk gecompliceerder dan in Kleins eerdere werken. Klein geeft dan ook eerste hulp in de vorm van honderden vingerzettingen en snaaraanduidingen: Voor de Amateurs zijn boven enkele noten de nummers 1. 2. 3. 4. geplaatst om de eerste, tweede, derde en vierde Vinger aan te duiden, en voor de Duim een 0, om de beweging van de hand aan te geven, en onder de bovengenoemde nummers    en  e Snaar.
Het geven van vingerzettingen was, voortkomend uit de overgang van tabulatuurnotatie naar "moderne" notatie voor de viola da gamba, voor laatstgenoemd instrument niet ongebruikelijk. Dit systeem verschilt van het systeem dat Klein gebruikt. Er zijn gambawerken van Marin Marais, Caix d'Hervelois (1731 en 1748) en Antoine Forqueray (door zijn zoon gepubliceerd in 1747), waarin het aantal punten boven de vingerzetting de specifieke snaar aangeeft waarop de vinger geplaatst moet worden. In de hele vioolfamilie, dus niet alleen voor de cello, heb ik dergelijke uitgebreid in de praktijk toegepaste vingerzetting- en snaaraanduidingsystemen vóór Kleins Sonates Opus 4 (1746) niet kunnen ontdekken.

p> align="left">In de lagere posities wordt mede gebruik gemaakt van het vingerzettingsysteem zoals dat voor de viool gebruikelijk is. Dit betekent, dat behalve de moderne chromatische vingerzetting (elke vinger staat op een halve toonsafstand van de naastliggende) en de grote greep (een hele toonsafstand tussen de wijs- en de middelvinger) ook regelmatig grote grepen voorkomen tussen de middel- en de ringvinger en tussen de ringvinger en de pink. In zijn Méthode pour le Violoncelle wordt Bernhard Romberg (1767 - 1841) nog met zo'n schuine, vioolanaloge handstand afgebeeld:

p> align="center">

Bernhard Romberg in zijn Méthode pour le Violoncelle (Berlijn 1840).

p> align="left">In de praktijk blijkt dat het spelen met een gefixeerde handstand te inspannend is als meerdere grote grepen op elkaar volgen: de hand kan dan beter van de ene naar de andere vinger "rollen". Zelfs gebruik makend van een rollende beweging en met een flinke handdispositie (maximale strekking 20 cm tussen wijsvinger en pink) kon ik blessures aan mijn pink niet voorkomen. Liever dan chronische hand- en armblessures te veroorzaken (zie de waarschuwing) heb ik ervoor gekozen de vingerzettingen zo veel mogelijk in de geest van de gedrukte vingerzettingen te houden, maar wel waar mogelijk aan te passen aan de "moderne" handstand.

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 2: Sonate 1 deel 1 (Allegro) maat 5v.
Hand ontziend alternatief in de tweede maat: 4 in plaats van 3 (twee keer).

J.H. Klein Opus 4 pg. 10: Sonate 2 deel 2 (Allegro) maat 6v. [Cellopartij in bassleutel, drie kruisen aan de sleutel.]
Hand ontziend alternatief: voorslagen ook spelen met 4. p> align="left">Klein maakt in dubbelgreeppassages wèl gebruik van het moderne vingerzettingsysteem zoals dat veel later in het Essai sur le Doigté du Violoncelle (ca. 1806-1819) door Duport zou worden vastgelegd. Duport gebruikt de handstand tijdens het spelen van dubbelgrepen als enig model voor de basishandstand: de vingers moeten bij dubbelgrepen wel zo veel mogelijk rechtop staan om de kracht te kunnen leveren om meerdere snaren tegelijk te kunnen indrukken. Klein gebruikt naast deze handstand dus ook de vioolanaloge (schuine) handstand, die meerdere soorten grote grepen toelaat.
Duport is in zijn Essai overigens de eerste die Klein wat betreft de aantallen vingerzettingen overtreft.

p> align="left">Opvallend is Kleins uitgebreide gebruik van de duimpositie, een moderne techniek die amateurs en in die tijd ook professionals nog niet (of pas sinds kort) machtig zijn. Gelukkig blijft Klein in zijn Sonates lang in eenzelfde duimpositie, maar aan de andere kant gebruikt hij in de duimpositie alle vier de snaren om zijn vaak tweestemmige melodieën en zijn virtuoze passages te laten horen, wat voor zuiverheid en klankvorming hoge eisen stelt aan de speler.

p> align="center">

p> align="left">Een ander belangrijk feit is dat nu kan worden vastgesteld dat in de barok op fretloze strijkinstrumenten glissando of portamento gebruikt werd op plekken waar dit, door een andere vingerzetting te gebruiken, vermeden had kunnen worden. Dit punt is belangrijk genoeg om met enkele voorbeelden te illustreren.

p> align="left">Tot nu toe werd aangenomen, dat in barokmuziek tijdens een legatoboog over meerdere noten de linkerhand liever niet van positie wisselde. In Opus 4 komen zulke situaties voor:

p> align="center">

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 11: Sonate 2 deel 2 (Allegro) maat 26v.

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 22: Sonate 4 deel 2 (Largo) maat 15vv.

p> align="left">Het tegendeel gebeurt echter op verschillende momenten, waar lyrisch gezien een portamento op zijn plaats is. Daar wordt tijdens een legatoboog van positie gewisseld:

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 5: Sonate 1 deel 2 (Poco Adagio) maat 66vv.
Alternatief na de fermate, zonder portamento: 41 21 41; 20 14 43; 24 31 10.

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 8: Sonate 2 deel 1 (Adagio Cant.) maat 5.
Alternatief zonder portamento: wisselen bij het begin van de legatoboog met resp. 4 4 3.

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 16: Sonate 3 deel 2 (Andante) maat 1.
Alternatief zonder portamento: 143 143 232.

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 25: Sonate 5 deel 1 (Poco Allegro) maat 8v en 9vv.
Alternatief zonder portamento: 124 431 124 22; 123 22 123 22; (...) ; (...) ; 14 30 (...); (...).

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 34: Sonate 6 deel 2 (Adagio) maat 21. [Cellopartij in tenorsleutel, 3 mollen aan de sleutel]
Alternatief zonder portamento: 1414 1413 1313 (...).

p> align="left">Een combinatie van beide technieken vinden we in het volgende voorbeeld, waar in het krachtiger Forte-gedeelte voor de boog wordt gewisseld, en in het lyrischer Piano-gedeelte onder de boog:

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 34: Sonate 6 deel 2 (Adagio) maat 10v.

p> align="left">Een ander fenomeen dat aandacht vraagt is het veelvuldig gebruik van Unisono in Kleins Sonates Opus 4. Het doel hiervan is soms puur om de stemvoering in meerstemmige passages duidelijk te maken, soms om (ook in duimpositie!) een mildere overgang te bereiken tussen de a- en de d-snaar van de cello en soms om een volumineus, ruig klankeffect te bereiken door een losse G-snaar met een gestopte C-snaar te combineren. Enkele voorbeelden ter illustratie:

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 8: Sonate 2 deel 1 (Adagio Cant.) maat 1.
Stemvoering en klankkleur.

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 9: Sonate 2 deel 1 (Adagio Cant.) maat 23v.
Stemvoering en klankkleur (duimpositie). p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 27: Sonate 5 deel 1 (Poco Allegro) maat 123v. [Cello start in tenorsleutel, geen voortekens.]
Klankkleur: overgang a- naar d-snaar.

p> align="center">

J.H. Klein Opus 4 pg. 33: Sonate 6 deel 1 (Allegro-Vivace-Allegro) maat 93vv.
Klankkleur grommende bas (let ook op het secunde-accoord).

p> align="center"> p> align="center">

Voor de echte freaks heb ik nog een presentje in de vorm van een database. Hierin staan enorm veel gegevens die ik in een dwaze bui, geobsedeerd ploeterend door deze partituur, heb verzameld. Alle verschillende soorten en aantallen rekkingen, strekkingen, rare streekjes en dergelijke staan hierin vermeld. Op dit moment zie ik geen kans om deze gegevens nogmaals op correctheid te toetsen of te ordenen: deadlines die naderen, toekomst die wenkt...

p> align="center">

Waarschuwing!

p> align="left">Ondanks de enorme schat aan informatie die de hier gedrukte vingerzettingen verschaffen, moet ik ernstig waarschuwen voor het daadwerkelijk gebruik ervan. Door de ongebruikelijk grote spreiding van de vingers wordt de linkerhand aanzienlijk meer belast dan normaal. Daardoor kunnen zich ernstige complicaties (tijdelijke dan wel chronische blessures, die het cellospel ernstig en mogelijk definitief kunnen schaden) voordoen bij het gedurende langere tijd toepassen van dit vingerzettingsysteem. Als gekwalificeerd cellopedagoog en als professioneel cellist moet ik een voortdurend, orthodox gebruik van dit systeem zonder meer afraden.

p> align="left">Vaak kunnen de vingerzettingen zodanig worden aangepast dat grote grepen tussen andere vingers dan wijs- en middelvinger voorkomen kunnen worden. Als de speler van nature een grote spreiding van de hand heeft, kan deze proberen elementen van deze techniek sporadisch te gebruiken in de concertpraktijk.

p> align="center">Wijs collega's nooit op deze techniek zonder voor de gevaren ervan te waarschuwen!

p> align="left">Ik aanvaard geen enkele aansprakelijkheid voor direct of indirect opgelopen blessures ten gevolge van het spelen van deze Sonates.

p> align="center">

Tijdgenoten

p> align="left">Estienne (1665-1722) en Jeanne Roger (1692-1722)

p> align="left"> Estienne Roger, een vluchteling uit Frankrijk, verzorgde vanaf ca. 1696 in Amsterdam muziekuitgaven. Met 500 werken was zijn fonds het belangrijkste in Nederland. Componisten van wie hij werken uitgaf waren onder meer Corelli, Locatelli, Lully, Alessandro Scarlatti, Torelli en Vivaldi.
Zijn dochterJeanne Roger was als uitgeefster sinds 1717 actief, maar overleed al enige maanden na haar vader. De boedel werd overgenomen door haar zwager,

p> align="left">Michel-Charles Le Cène (?-1743)

p> align="left">In de catalogus van Le Cène wordt Klein genoemd als Jacques Klein le Jeune. Na het overlijden van Le Cène verkochten de erfgenamen de uitgeverij Roger-Le Cène aan G.J. de la Coste. Binnen enkele jaren ging deze uitgeverij, misschien door de toen heftige concurrentie, ten onder. Vandaar dat Klein op zoek ging naar een andere uitgever voor zijn Opus 4 (1746).

p> align="left">Gerhard Fredrik Witvogel (Varel ca. 1696 - Aken 1746)

p> align="left"> Witvogel, afkomstig uit Duitsland, was organist aan de Lutherse Nieuwe Kerk in Amsterdam. Hij begon zijn uitgeverij in 1731; zijn catalogus omvatte bij zijn overlijden in 1746 maar liefst 93 verschillende uitgaven. Behalve grote namen als Händel, Hasse, Quantz en Scarlatti gaf hij ook werken uit van Nederlanders, waaronder De Fesch, Groneman, Klein en Nozeman. Ongeveer eenderde van zijn uitgaven is zonder toestemming van de desbetreffende componisten uitgebracht - een praktijk die destijds niet alleen door hem werd toegepast. De Sonates Opus 4 van J.H. Klein (Nr. 82) vallen overigens onder de authentieke (geautoriseerde) uitgaven.

p> align="left">Na het overlijden van Witvogel werd diens nalatenschap opgekocht door Johannes (Jean) Covens. Toen Covens ook het fonds van Roger-Le Cène in 1749 van De la Coste overnam, ontstond de grootste catalogus van zijn tijd in Nederland.

p> align="left">Pieter (Amsterdam 1703 - 1761) en Joachim (Amsterdam 1728 - 1792) Rendorp

p> align="left">De leden van de familie Rendorp, begin 17e eeuw komend uit Lüneburg (Duitsland, bij Hamburg), werden pas vanaf 1640 tot het bestuur van Amsterdam toegelaten omdat zij van Lutherse origine waren. Zij dreven met succes de bierbrouwerij De Haan aan de Gelderse Kade, op de Zuidhoek van de Rechtboomsloot en behoorden tot de aanzienlijksten van de stad.

p> align="left"> Pieter Rendorp, Vrijheer van Marquette, had in 1742 een buitenplaats (het Huis Marquette, onder Heemskerk), 11 dienstboden, een koets met 4 paarden en een inkomen tussen 26 en 28.000 gulden. Pieter was in 1725 Commissaris, in 1732 Schepen en in 1746, 1750, 1751, 1754, 1755, 1757, 1758 en 1760 een van de Burgemeesters van Amsterdam. Hij ontwierp het Oude-Mannen- en Vrouwen-Gasthuis.
Zoon Joachim, advocaat in het Staatsrecht en diplomaat, onderscheidde zich door een goed bevattingsvermogen, een goed oordeel en kunstzin. In 1755 was hij Commissaris, in 1756 Schepen en in 1781, 1786, 1789, 1790 en 1792 een van de Burgemeesters van Amsterdam. De tegenwoordige Muiderpoort (1770) is van hem. Na 1890 werd hiervan het zware voorhek afgebroken.

p> align="left">Volgens de Opdracht van Klein aan Joachim Rendorp heeft Klein heel veel aan de familie Rendorp te danken. Wat precies is onduidelijk; er zijn ook geen documenten van de hand van de Rendorp-familie waarin Klein wordt genoemd en die het belang van Klein voor deze familie zouden kunnen omschrijven. In ieder geval heeft Klein de jonge Joachim aan het Clavier (klavecimbel) onderwezen. Zeer waarschijnlijk hebben zij samen als eersten de Sonates Opus 4 uitgevoerd.

p> align="left">Pietro Locatelli (Bergamo 1695 - Amsterdam 1764)

p> align="center">

Johann Gottfried Walther Musicalisches Lexicon Oder Musicalische Bibliothek, Leipzig 1732, pg. 367

p> align="left">De Italiaanse violist en componist Pietro Locatelli was een leerling van Corelli in Rome, waar hij tien jaar van zijn leven doorbracht. In 1721 werden zijn 12 Concerti Grossi a 4 e a 5, con 12 fughe gepubliceerd in Amsterdam. In 1725 speelde hij enkele van zijn concerten in Venetië, waar ze zeer succesvol waren. Na verblijf in Berlijn en Kassel (Hessen) vestigde Locatelli zich in 1729 in Amsterdam (Prinsengracht 506), waar hij een school oprichtte voor strijkinstrumentalisten. Aan hen vertrouwde hij de eerste uitvoeringen toe van zijn werken.

p> align="left">Vanaf 1732 schreef Locatelli vele Sonates, caprices en dergelijke voor de viool, maar ook voor de traverso. Beïnvloed door de stijl van Corelli voor wat betreft de stijlvormen, ontwikkelden ze dankzij Locatelli aanzienlijk. Zijn viooltechniek maakte hem tot een voorloper van Paganini, en hij wordt erkend als een van de Italiaanse componist-violisten die een waar tijdperk voor de viool en muziek voor snaarinstrumenten hebben geschapen.

p> align="left">Klein is ongetwijfeld in nauw contact geweest met Locatelli. Zijn schrijfstijl en cellotechniek is sinds de komst van Locatelli naar Amsterdam in 1729 met zo'n grote sprong verbeterd, dat moet worden aangenomen dat hij in het orkest en op de school van Locatelli met deze grootheid heeft samengewerkt.

p> align="center">

Aantekeningen

p> align="center">Sonata I 1-37-3 = Sonata I deel 1 maat 37 tel 3
vc = violoncello; bc = basso continuo
e-vz3-si2 = e klein octaaf - vingerzetting 3 - snaarindicatie 2 (d-snaar)

p> align="center"> p> align="center">

Titelblad in facsimile

p> align="center"> p> align="center"> VI SONATE
A
VIOLONcellO SOLO e BASSO CONTINUO
COMPOSTE DA
GIACOMO HERMAN KLEYN
Amatore della Musica
E DEDICATE
All Molto Illustre SIGNORE il SIGNOR
GIOUACHINO RENDORP
OPERA QUARTA p> align="center">-----
Stampate a Spese
di GERHARDO FEDERICO WITVOGEL
Organista della Chiesa nuova Luterana
A AMSTERDAM

p> align="center">[later toegevoegd: Chez Jean Covens Fils] No. 82

Opdracht facsimile

(vertaling)

p> align="center"> p> align="center">
Nobiliss[imo] D[omi]no IOACHIMO RENDORPIO,
Amplissimae Dignitatis et Summis Honoribus Conspicui Viri
D[omi]ni PETRI RENDORPII Filio,
S[alutem] P[lurimam] D[ico]
JACOBUS HERMANNUS KLEYN

Ingratissimus mortalium haberer merito, Nobilliss[ime] RENDORPI, si unquam oblivis-
cerer benevolentiae, qua me jam dudum Amplissim[a] Domus Tua fuit amplexa: Nec vi-
deor mihi, posse effugere ingrati animi vitium, nisi publicum aliquod Monumen-
tum exstet, quo etiam alii sciant, quantum Tibi, quantum Ampliss[imo] D[omi]no PARENTI Tuo,
quantumque Universae Tuae Domui debeam. Patere igitur, quum aliud ad manum
non sit majus aut dignius, ut Nobilissimo Nomini Tuo inscribam, et dedicem, Can-
tus hos Sex, ad Violoncellum, quod vocant, unica voce cantandos, quod debeo non
tantum ob singularem beneficentiam, qua Tu et Domus Tua me obstrinxistis, sed
etiam ob commune Musices Studium, in quo tantum profecisti, ut ipse per Te,
digitis artificiosissime in Organo, quod vulgo Clavier audit, eosdem Cantus egregie
valeas exsequi. Spero fore Nobiliss[ime] RENDORPI, ut simul ex hoc meo qualicunque
labore aliquam percepturus sis voluptatem, quam novisti Musices amatores in
artis eximiae exercitatione percipere ingentem, quotiescunque animum in gra-
vioribus studiis fessum hac arte recreare constituisti; simul intelligas meam vo-
luntatem, in agnoscedo, quid debeam Tibi, et Ampliss[imae] Domui Tuae, non vulgarem;
etiamsi probe sciam, quam exigae sint meae ad tantum debitum solven-
dum facultates. Vale, Nobiliss[ime] RENDORPI, et perge me Tuis annumerare.

Amstelaedami

l'On a placé pour les Amateurs, au dessus de quelques notes les
numeros 1.2.3.4. pour designer le premier, second, troisieme, et qua-
trieme Doigt, et pour le Pouce un 0, afin d'indiquer le mouvement
de la main, et dessous le susdits numeros    et  me Corde.

Vertaling [uit het Latijn]:

p> align="center">Aan de zeer eerwaarde Heer Joachim Rendorp,
van een hoogedelachtbare waardigheid en een door de hoogste eerbewijzen in het oog vallende kracht,
aan de Zoon van Heer Pieter Rendorp,
wens ik veel heil.

p> align="center">Jacob Herman Kleyn

De ondankbaarste onder de stervelingen mag ik terecht heten, als ik ooit de welwillendheid van de zeer eerwaarde Rendorp zou vergeten, die mij al zeer lang in uw zeer omvangrijke huis tot steun is geweest. En ik zou mijzelf niet recht in de ogen kunnen kijken, niet de hevigheid van mijn ondankbare geest kunnen ontvluchten, als er niet nog een of ander publiek gedenkteken zou bestaan, waardoor ook anderen zouden weten hoeveel ik u, hoeveel ik aan uw hoogedelachtbare vader, en hoeveel ik aan heel uw huis te danken heb.
Wil daarom openstaan, omdat niets wat ik nu bij de hand heb groter of waardiger is, dat ik voor uw edele naam op schrift stel en aan uw naam opdraag [dan] deze zes stukken voor de violoncello, die als uit één stem zingen wat ik verschuldigd ben, niet zozeer wegens de uitzonderlijke welwillendheid waardoor u zichzelf en uw huis aan mij hebt verplicht, maar ook wegens de gezamenlijke studie van de muziek, waarin u zoveel vooruitgang geboekt heeft, dat U zelf, met de vingers zeer kunstvaardig op het instrument dat doorgaans Clavier heet, deze zelfde stukken voortreffelijk zou kunnen uitvoeren.
Ik hoop, zeer eerwaarde Rendorp, dat U enerzijds uit dit werk van mij genoegen zult ondervinden - welk genoegen U weet dat amateurmusici door oefening in de schone kunsten heel goed tot zich kunnen nemen -, [en] telkens wanneer Uw geest door ernstiger studies vermoeid is door deze kunst zult kunnen ontspannen; anderzijds mijn verlangen opmerkt te erkennen wat ik u en uw zeer omvangrijke huis verschuldigd ben als ik het niet bekend zou maken, zelfs al weet ik goed hoe gering mijn mogelijkheden zijn om een zo grote schuld in te lossen.
Het ga u goed, eerwaarde Rendorp, en blijf mij onder de Uwen rekenen.

Te Amsterdam

[uit het Frans] Voor de Amateurs zijn boven enkele noten de nummers 1. 2. 3. 4. geplaatst om de eerste, tweede, derde en vierde Vinger aan te duiden, en voor de Duim een 0, om de beweging van de hand aan te geven, en onder de bovengenoemde nummers    en  e Snaar.

Sonata I

1-19-2 bc becijfering (kwintsextacc.) hoort op de derde tel.
1-25-1 bc waarschijnlijk meteen G majeur.
3-29-1 bc (sextacc.) moet naar de tweede tel.
3-70-2 bc sextacc. klinkt beter dan secundeacc.
3-71-1 bc moet zijn 5 ipv 6.
3-102 bc 6 en 7 waarschijnlijk omgekeerd.
3-116-2 secundeacc. is beter dan sextacc.

Sonata II

1-15-4 bc sextacc. met verhoogde 6 is zeer ongebruikelijk; secundeaccoord met verhoogde 4 zou hier logischer zijn.
1-22-4 bc correcter zou zijn kwartsextacc. gevolgd door grondligging (5).
1-37-2 vc e-vz3-si2 moet zijn si3.

2-5-2 vc e-vz4-si2 moet zijn si3.
2-11 vierde achtste bc secundeacc. is correcter dan sextacc.
2-23-2 bc 6 5 zou beter zijn (cf. deel 1 maat 22; komt vaker voor).
2-41-3 t/m 2-42-1 bc becijfering is juist, maar d-cis-B in de bas moet fis-e-d zijn, anders ontstaan lelijke octaafparallellen met vc.

Sonata III

1-57-1 bc enharmonische notatie: kwintsextacc. met verhoogde 6 zou juister zijn.
3-51-1 vc cis-vz2 moet zijn vz3.
3-98-1 bc sextacc. op eerste tel is wel consequent, maar niet zo fraai. Grondligging (5) klinkt beter.

Sonata IV

1-14-2 bc septiemacc. hoort op eerste tel.
1-86-3 bc septiemacc. hoort op eerste tel.
1-98-3 bc 6 moet zijn 5
1-109-3 bc kwartsextacc. i.p.v. kwintsextacc.
1-116-1 bc zou kwartsextacc. kunnen zijn.
2-12-3 vc # betekent hier dubbelkruis, want er staat al een kruis aan de sleutel: fis wordt fisis.
2-12-3 bc verhoogde sext is dus ook fisis.
2-24-1 vc idem: fis wordt fisis.
2-24-1 bc idem: verhoogde terts is fisis.
2-28 vc idem: fis wordt fisis; met herstellingsteken niet f maar fis (vgl. eïs in deze maat).
2-28 bc idem: verhoogde kwart is fisis.
3-69-1 vc idem: fis wordt fisis.
3-69-1 bc idem: verhoogde terts is fisis.
3-76-1 bc idem: verhoogde terts is fisis.
3-76-4 bc idem: fis wordt fisis.

Sonata V

1-109-1 bc x (verhoogde terts) ontbreekt.
2-3-3 bc 6 vervalt (blijft 7).
2-6-3 bc kwintsextacc. moet al op de tweede tel.
2-25-1 vc tweede a': moet zijn halve noot in plaats van gepuncteerde kwartnoot.
3-80 bc becijfering klopt niet, moet zijn: 5 - 5 mineur - 5 majeur.
3-123-1 vc f moet zijn a.

Sonata VI

1-101-2 vc as moet zijn a (vgl. becijfering basso continuo).
2-23v bc sextacc. boven opmaat-achtsten (kwartsprong) kan wel, maar de meesten zouden hier grondligging (5) noteren.
3-31-10 vc d-vz1 moet zijn 3-31-7 Bes-vz1.
3-56-4 bc kwint van dit accoord moet zijn a.
3-56-7 vc voorslag as' moet zijn a'.
3-57-1 vc voorslag f' moet zijn fis'.
3-61-10 vc d-vz4 moet zijn 3-61-11 bes-vz4.

 

Literatuur

p> align="left"> Amsterdam, Prinsengracht 506: In questa casa / trascorse la vita operosa e morì / il grande compositore e violinista / Pietro Antonio Locatelli / La città natale / Nel bicentenario della morte / Bergamo 3.IX.1695 - Amsterdam 30.III.1764
Jean-Baptiste Bréval: Traité du Violoncelle Opus 42, Paris zonder jaartal (ca. 1804).
Charles (Karel) Burney: Dagboek van zijne, onlangs gedaane, musicale Reizen door Frankrijk, Italië en Duitschland. Als tot een verlustigend, laatste Geschenk aan Nederlands waare Musiekvrienden, vertaald en opgeluisterd door Jacob Wilhelm Lustig, Groningen 1786, pg. 240 & 246.
Michel Corrette: Méthode, théorique et pratique. Pour Apprendre en peu de tems le Violoncelle dans sa perfection. Paris 1741.
François Cupis (le jeune): Méthode nouvelle et raisonnée pour apprendre à jouer du Violoncelle, Paris zonder jaartal (ca. 1768).
Anik Devriès: Édition et commerce de la musique gravée à Paris dans la première moitié du XVIIIe siècle: les Boivin, les Leclerc.. Genève 1976.
Albert Dunning: De Muziekuitgever Gerhard Fredrik Witvogel en zijn fonds. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse muziekuitgeverij in de achttiende eeuw; Utrecht, Oosthoek, 1966 (Muziekhistorische Monografieën, Vol. II: Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis).
Jean Louis Duport: Essai sur le doigté du Violoncelle et sur la conduite de l'archet, dédié aux Professeurs de Violoncelle, Paris zonder jaartal (ca. 1806-1819).
F.J. Fétis (Brussels Conservatorium): Biographie universelle des musiciens - Tôme cinquième, Paris 1870. Over J. Klein: "KLEIN (Jacques), musicien hollandais, appelé, dans le catalogue de Le Cène, Jacques Klein le Jeune, a fait graver à Amsterdam, vers 1750, trois livres de Sonates pour le violoncelle, et douze Sonates pour hautbois et basse continue, op. 1 et 2." Zoals uit andere bronnen blijkt is deze informatie nogal onnauwkeurig.
Antoine Forqueray: Pieces de Viole avec la Basse Continue (...) Livre Ier, Paris 1747.
Gemeentearchief Amsterdam: geboorte-, huwelijks- en overlijdensacten.
Caix d'Hervelois: Troisième Œuvre contenant Quatre Suites de Pieces pour la Viole, avec la Basse chifrée en partition, Paris 1731.
Caix d'Hervelois: Ve Livre de Pieces de Viole contenant Trois Suites et deux Sonates (...), Paris 1748.
Jacobus Kok: Vaderlandsch Woordenboek - vier-en-twintigste deel (...), Johannes Allart, Amsterdam 1791. pg. 158vv.
Fr. Lesure: Bibliographie des éditions musicales publiées par Estienne Roger et Michel-Charles Le Cène (Amsterdam 1696-1743), Paris, Société française de musicologie, 1968.
Marin Marais: Gambawerken boek IV en V.
Karl Marx: Die Entwicklung des Violoncells und seiner Spieltechnik bis J.L. Duport (1520-1820), Regensburg 1963.
Red. Molhuysen & Kossmann: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek - deel 10; Sijthoff, Leiden 1937. pg. 799v.
Jean-Marie Raoul: Méthode de Violoncelle, Paris ca. 1797.
Bernhard Romberg: Méthode pour le Violoncelle, Berlijn 1840.
Joseph Bonaventure Tillière: Méthode pour le violoncelle, Paris zonder jaartal (1764)
Johann Gottfried Walther: Musicalisches Lexicon Oder Musicalische Bibliothek, Leipzig 1732.

p> align="center">

Links

p> align="center">http://JHKlein.Wakelkamp.com
voor de actuele stand van zaken met betrekking tot J.H. Klein en de CD-opname van Opus 4.

p> align="center"> http://www.muziekgroep.nl
voor bestellingen en voor meer producten van Muziekgroep Nederland

p> align="center">http://www.giveamelody.nl
voor meer producten van Jean van Vugt Productions

p> align="center">http://home.wxs.nl/~weiwuwei/home.html
voor informatie over Onno Scholtze

p> align="center">Cavalli Records (CD-opname J.H. Klein Cello duetten Opus 2)
Ludwigshöhe 4, D-96049 Bamberg (Duitsland)
tel. 00.49.951.509781 fax 00.49.951.509782
mailto:Cavalli.Records@t-online.de

p> align="center">

p> align="center">Voor reacties en bestellingen
f.wakelkamp@gmail.com
 tel. +31.6.38 39 75 38

© 2001 Frank Wakelkamp

4-06-2002